beginnen

Dutch verb conjugation — to begin · /bəˈɣɪnə(n)/

Auxiliary
zijn
Past participle
begonnen
Level
A1

In short: ik begin, jij begint, hij begint, wij beginnen, jullie beginnen, zij beginnen — and in the past, ik ben begonnen.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikbegin
jij / jebegint
hij / zij / hetbegint
wij / webeginnen
julliebeginnen
zij / zebeginnen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikben begonnen
jij / jebent begonnen
hij / zij / hetis begonnen
wij / wezijn begonnen
julliezijn begonnen
zij / zezijn begonnen

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikbegon
jij / jebegon
hij / zij / hetbegon
wij / webegonnen
julliebegonnen
zij / zebegonnen

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikwas begonnen
jij / jewas begonnen
hij / zij / hetwas begonnen
wij / wewaren begonnen
julliewaren begonnen
zij / zewaren begonnen

Future

zullen + infinitive

ikzal beginnen
jij / jezult beginnen
hij / zij / hetzal beginnen
wij / wezullen beginnen
julliezullen beginnen
zij / zezullen beginnen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou beginnen
jij / jezou beginnen
hij / zij / hetzou beginnen
wij / wezouden beginnen
julliezouden beginnen
zij / zezouden beginnen

Imperative

Commands

jijbegin

Questions about beginnen

How do you conjugate beginnen in the present tense?

ik begin, jij / je begint, hij / zij / het begint, wij / we beginnen, jullie beginnen, zij / ze beginnen.

What is the past participle of beginnen?

begonnen.

Does beginnen take hebben or zijn in the perfect?

zijn: ik ben begonnen.

How do you say "I begin" in Dutch?

Ik begin.

What is the simple past of beginnen?

ik begon, wij begonnen.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. beginnen on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.