gaan

Dutch verb conjugation — to go · /xaːn/

Auxiliary
zijn
Past participle
gegaan
Level
A1

In short: ik ga, jij gaat, hij gaat, wij gaan, jullie gaan, zij gaan — and in the past, ik ben gegaan.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikga
jij / jegaat
hij / zij / hetgaat
wij / wegaan
julliegaan
zij / zegaan

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikben gegaan
jij / jebent gegaan
hij / zij / hetis gegaan
wij / wezijn gegaan
julliezijn gegaan
zij / zezijn gegaan

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikging
jij / jeging
hij / zij / hetging
wij / wegingen
julliegingen
zij / zegingen

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikwas gegaan
jij / jewas gegaan
hij / zij / hetwas gegaan
wij / wewaren gegaan
julliewaren gegaan
zij / zewaren gegaan

Future

zullen + infinitive

ikzal gaan
jij / jezult gaan
hij / zij / hetzal gaan
wij / wezullen gaan
julliezullen gaan
zij / zezullen gaan

Conditional

zouden + infinitive

ikzou gaan
jij / jezou gaan
hij / zij / hetzou gaan
wij / wezouden gaan
julliezouden gaan
zij / zezouden gaan

Imperative

Commands

jijga

gaan in sentences

  • Ik ga naar het strand.I'm going to the beach.
  • Die auto gaat nergens naartoe.That car isn't going anywhere.
  • Morgen gaan ze weer.They're leaving again tomorrow.

Examples from Wiktionary.

Questions about gaan

How do you conjugate gaan in the present tense?

ik ga, jij / je gaat, hij / zij / het gaat, wij / we gaan, jullie gaan, zij / ze gaan.

What is the past participle of gaan?

gegaan.

Does gaan take hebben or zijn in the perfect?

zijn: ik ben gegaan.

How do you say "I go" in Dutch?

Ik ga.

What is the simple past of gaan?

ik ging, wij gingen.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. gaan on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.