bezoeken

Dutch verb conjugation — to visit · /bəˈzukə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
bezocht
Level
A1

In short: ik bezoek, jij bezoekt, hij bezoekt, wij bezoeken, jullie bezoeken, zij bezoeken — and in the past, ik heb bezocht.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikbezoek
jij / jebezoekt
hij / zij / hetbezoekt
wij / webezoeken
julliebezoeken
zij / zebezoeken

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb bezocht
jij / jehebt bezocht
hij / zij / hetheeft bezocht
wij / wehebben bezocht
julliehebben bezocht
zij / zehebben bezocht

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikbezocht
jij / jebezocht
hij / zij / hetbezocht
wij / webezochten
julliebezochten
zij / zebezochten

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad bezocht
jij / jehad bezocht
hij / zij / hethad bezocht
wij / wehadden bezocht
julliehadden bezocht
zij / zehadden bezocht

Future

zullen + infinitive

ikzal bezoeken
jij / jezult bezoeken
hij / zij / hetzal bezoeken
wij / wezullen bezoeken
julliezullen bezoeken
zij / zezullen bezoeken

Conditional

zouden + infinitive

ikzou bezoeken
jij / jezou bezoeken
hij / zij / hetzou bezoeken
wij / wezouden bezoeken
julliezouden bezoeken
zij / zezouden bezoeken

Imperative

Commands

jijbezoek

Questions about bezoeken

How do you conjugate bezoeken in the present tense?

ik bezoek, jij / je bezoekt, hij / zij / het bezoekt, wij / we bezoeken, jullie bezoeken, zij / ze bezoeken.

What is the past participle of bezoeken?

bezocht.

Does bezoeken take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb bezocht.

How do you say "I visit" in Dutch?

Ik bezoek.

What is the simple past of bezoeken?

ik bezocht, wij bezochten.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. bezoeken on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.