bellen

Dutch verb conjugation — to ring · /ˈbɛlə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gebeld
Level
A1

In short: ik bel, jij belt, hij belt, wij bellen, jullie bellen, zij bellen — and in the past, ik heb gebeld.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikbel
jij / jebelt
hij / zij / hetbelt
wij / webellen
julliebellen
zij / zebellen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gebeld
jij / jehebt gebeld
hij / zij / hetheeft gebeld
wij / wehebben gebeld
julliehebben gebeld
zij / zehebben gebeld

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikbelde
jij / jebelde
hij / zij / hetbelde
wij / webelden
julliebelden
zij / zebelden

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gebeld
jij / jehad gebeld
hij / zij / hethad gebeld
wij / wehadden gebeld
julliehadden gebeld
zij / zehadden gebeld

Future

zullen + infinitive

ikzal bellen
jij / jezult bellen
hij / zij / hetzal bellen
wij / wezullen bellen
julliezullen bellen
zij / zezullen bellen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou bellen
jij / jezou bellen
hij / zij / hetzou bellen
wij / wezouden bellen
julliezouden bellen
zij / zezouden bellen

Imperative

Commands

jijbel

Questions about bellen

How do you conjugate bellen in the present tense?

ik bel, jij / je belt, hij / zij / het belt, wij / we bellen, jullie bellen, zij / ze bellen.

What is the past participle of bellen?

gebeld.

Does bellen take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gebeld.

How do you say "I ring" in Dutch?

Ik bel.

What is the simple past of bellen?

ik belde, wij belden.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. bellen on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.