zien

Dutch verb conjugation — to see · /zin/

Auxiliary
hebben
Past participle
gezien
Level
A1

In short: ik zie, jij ziet, hij ziet, wij zien, jullie zien, zij zien — and in the past, ik heb gezien.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikzie
jij / jeziet
hij / zij / hetziet
wij / wezien
julliezien
zij / zezien

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gezien
jij / jehebt gezien
hij / zij / hetheeft gezien
wij / wehebben gezien
julliehebben gezien
zij / zehebben gezien

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikzag
jij / jezag
hij / zij / hetzag
wij / wezagen
julliezagen
zij / zezagen

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gezien
jij / jehad gezien
hij / zij / hethad gezien
wij / wehadden gezien
julliehadden gezien
zij / zehadden gezien

Future

zullen + infinitive

ikzal zien
jij / jezult zien
hij / zij / hetzal zien
wij / wezullen zien
julliezullen zien
zij / zezullen zien

Conditional

zouden + infinitive

ikzou zien
jij / jezou zien
hij / zij / hetzou zien
wij / wezouden zien
julliezouden zien
zij / zezouden zien

Imperative

Commands

jijzie

zien in sentences

  • Ik zie jouw kat!I see your cat!
  • Laat je nieuwe schoenen eens zien.Let me see your new shoes.

Examples from Wiktionary.

Questions about zien

How do you conjugate zien in the present tense?

ik zie, jij / je ziet, hij / zij / het ziet, wij / we zien, jullie zien, zij / ze zien.

What is the past participle of zien?

gezien.

Does zien take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gezien.

How do you say "I see" in Dutch?

Ik zie.

What is the simple past of zien?

ik zag, wij zagen.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. zien on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.