baden

Dutch verb conjugation — to bathe · /ˈbaːdə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gebaad
Level
B1

In short: ik baad, jij baadt, hij baadt, wij baden, jullie baden, zij baden — and in the past, ik heb gebaad.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikbaad
jij / jebaadt
hij / zij / hetbaadt
wij / webaden
julliebaden
zij / zebaden

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gebaad
jij / jehebt gebaad
hij / zij / hetheeft gebaad
wij / wehebben gebaad
julliehebben gebaad
zij / zehebben gebaad

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikbaadde
jij / jebaadde
hij / zij / hetbaadde
wij / webaadden
julliebaadden
zij / zebaadden

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gebaad
jij / jehad gebaad
hij / zij / hethad gebaad
wij / wehadden gebaad
julliehadden gebaad
zij / zehadden gebaad

Future

zullen + infinitive

ikzal baden
jij / jezult baden
hij / zij / hetzal baden
wij / wezullen baden
julliezullen baden
zij / zezullen baden

Conditional

zouden + infinitive

ikzou baden
jij / jezou baden
hij / zij / hetzou baden
wij / wezouden baden
julliezouden baden
zij / zezouden baden

Imperative

Commands

jijbaad

baden in sentences

  • Ben je gebaad?Did you take a shower?

Examples from Wiktionary.

Questions about baden

How do you conjugate baden in the present tense?

ik baad, jij / je baadt, hij / zij / het baadt, wij / we baden, jullie baden, zij / ze baden.

What is the past participle of baden?

gebaad.

Does baden take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gebaad.

How do you say "I bathe" in Dutch?

Ik baad.

What is the simple past of baden?

ik baadde, wij baadden.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. baden on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.