produceren

Dutch verb conjugation — to produce (bring forth) · /proː.dyˈseː.rə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
geproduceerd
Level
B1

In short: ik produceer, jij produceert, hij produceert, wij produceren, jullie produceren, zij produceren — and in the past, ik heb geproduceerd.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikproduceer
jij / jeproduceert
hij / zij / hetproduceert
wij / weproduceren
jullieproduceren
zij / zeproduceren

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb geproduceerd
jij / jehebt geproduceerd
hij / zij / hetheeft geproduceerd
wij / wehebben geproduceerd
julliehebben geproduceerd
zij / zehebben geproduceerd

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikproduceerde
jij / jeproduceerde
hij / zij / hetproduceerde
wij / weproduceerden
jullieproduceerden
zij / zeproduceerden

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad geproduceerd
jij / jehad geproduceerd
hij / zij / hethad geproduceerd
wij / wehadden geproduceerd
julliehadden geproduceerd
zij / zehadden geproduceerd

Future

zullen + infinitive

ikzal produceren
jij / jezult produceren
hij / zij / hetzal produceren
wij / wezullen produceren
julliezullen produceren
zij / zezullen produceren

Conditional

zouden + infinitive

ikzou produceren
jij / jezou produceren
hij / zij / hetzou produceren
wij / wezouden produceren
julliezouden produceren
zij / zezouden produceren

Imperative

Commands

jijproduceer

Questions about produceren

How do you conjugate produceren in the present tense?

ik produceer, jij / je produceert, hij / zij / het produceert, wij / we produceren, jullie produceren, zij / ze produceren.

What is the past participle of produceren?

geproduceerd.

Does produceren take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb geproduceerd.

What is the simple past of produceren?

ik produceerde, wij produceerden.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. produceren on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.