bedekken

Dutch verb conjugation — to cover · /bəˈdɛkə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
bedekt
Level
A1

In short: ik bedek, jij bedekt, hij bedekt, wij bedekken, jullie bedekken, zij bedekken — and in the past, ik heb bedekt.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikbedek
jij / jebedekt
hij / zij / hetbedekt
wij / webedekken
julliebedekken
zij / zebedekken

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb bedekt
jij / jehebt bedekt
hij / zij / hetheeft bedekt
wij / wehebben bedekt
julliehebben bedekt
zij / zehebben bedekt

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikbedekte
jij / jebedekte
hij / zij / hetbedekte
wij / webedekten
julliebedekten
zij / zebedekten

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad bedekt
jij / jehad bedekt
hij / zij / hethad bedekt
wij / wehadden bedekt
julliehadden bedekt
zij / zehadden bedekt

Future

zullen + infinitive

ikzal bedekken
jij / jezult bedekken
hij / zij / hetzal bedekken
wij / wezullen bedekken
julliezullen bedekken
zij / zezullen bedekken

Conditional

zouden + infinitive

ikzou bedekken
jij / jezou bedekken
hij / zij / hetzou bedekken
wij / wezouden bedekken
julliezouden bedekken
zij / zezouden bedekken

Imperative

Commands

jijbedek

Questions about bedekken

How do you conjugate bedekken in the present tense?

ik bedek, jij / je bedekt, hij / zij / het bedekt, wij / we bedekken, jullie bedekken, zij / ze bedekken.

What is the past participle of bedekken?

bedekt.

Does bedekken take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb bedekt.

How do you say "I cover" in Dutch?

Ik bedek.

What is the simple past of bedekken?

ik bedekte, wij bedekten.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. bedekken on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.