rijden

Dutch verb conjugation — to ride · /ˈrɛi̯də(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gereden
Level
A1

In short: ik rij, jij rijdt, hij rijdt, wij rijden, jullie rijden, zij rijden — and in the past, ik heb gereden.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikrij
jij / jerijdt
hij / zij / hetrijdt
wij / werijden
jullierijden
zij / zerijden

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gereden
jij / jehebt gereden
hij / zij / hetheeft gereden
wij / wehebben gereden
julliehebben gereden
zij / zehebben gereden

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikreed
jij / jereed
hij / zij / hetreed
wij / wereden
julliereden
zij / zereden

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gereden
jij / jehad gereden
hij / zij / hethad gereden
wij / wehadden gereden
julliehadden gereden
zij / zehadden gereden

Future

zullen + infinitive

ikzal rijden
jij / jezult rijden
hij / zij / hetzal rijden
wij / wezullen rijden
julliezullen rijden
zij / zezullen rijden

Conditional

zouden + infinitive

ikzou rijden
jij / jezou rijden
hij / zij / hetzou rijden
wij / wezouden rijden
julliezouden rijden
zij / zezouden rijden

Imperative

Commands

jijrij

Questions about rijden

How do you conjugate rijden in the present tense?

ik rij, jij / je rijdt, hij / zij / het rijdt, wij / we rijden, jullie rijden, zij / ze rijden.

What is the past participle of rijden?

gereden.

Does rijden take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gereden.

How do you say "I ride" in Dutch?

Ik rij.

What is the simple past of rijden?

ik reed, wij reden.

More Dutch verbs

All 212 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. rijden on Wiktionary · Recording of rijden: Marcel coenders, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons (MP3 version).

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.