leren

Dutch verb conjugation — to learn · /ˈleːrə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
geleerd
Level
A2

In short: ik leer, jij leert, hij leert, wij leren, jullie leren, zij leren — and in the past, ik heb geleerd.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikleer
jij / jeleert
hij / zij / hetleert
wij / weleren
jullieleren
zij / zeleren

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb geleerd
jij / jehebt geleerd
hij / zij / hetheeft geleerd
wij / wehebben geleerd
julliehebben geleerd
zij / zehebben geleerd

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikleerde
jij / jeleerde
hij / zij / hetleerde
wij / weleerden
jullieleerden
zij / zeleerden

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad geleerd
jij / jehad geleerd
hij / zij / hethad geleerd
wij / wehadden geleerd
julliehadden geleerd
zij / zehadden geleerd

Future

zullen + infinitive

ikzal leren
jij / jezult leren
hij / zij / hetzal leren
wij / wezullen leren
julliezullen leren
zij / zezullen leren

Conditional

zouden + infinitive

ikzou leren
jij / jezou leren
hij / zij / hetzou leren
wij / wezouden leren
julliezouden leren
zij / zezouden leren

Imperative

Commands

jijleer

Questions about leren

How do you conjugate leren in the present tense?

ik leer, jij / je leert, hij / zij / het leert, wij / we leren, jullie leren, zij / ze leren.

What is the past participle of leren?

geleerd.

Does leren take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb geleerd.

How do you say "I learn" in Dutch?

Ik leer.

What is the simple past of leren?

ik leerde, wij leerden.

More Dutch verbs

All 212 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. leren on Wiktionary · Recording of leren: Marcel coenders, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons (MP3 version).

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.