wonen

Dutch verb conjugation — to live (in a certain place) · /ˈʋoːnə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gewoond
Level
—

In short: ik woon, jij woont, hij woont, wij wonen, jullie wonen, zij wonen — and in the past, ik heb gewoond.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikwoon
jij / jewoont
hij / zij / hetwoont
wij / wewonen
julliewonen
zij / zewonen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gewoond
jij / jehebt gewoond
hij / zij / hetheeft gewoond
wij / wehebben gewoond
julliehebben gewoond
zij / zehebben gewoond

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikwoonde
jij / jewoonde
hij / zij / hetwoonde
wij / wewoonden
julliewoonden
zij / zewoonden

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gewoond
jij / jehad gewoond
hij / zij / hethad gewoond
wij / wehadden gewoond
julliehadden gewoond
zij / zehadden gewoond

Future

zullen + infinitive

ikzal wonen
jij / jezult wonen
hij / zij / hetzal wonen
wij / wezullen wonen
julliezullen wonen
zij / zezullen wonen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou wonen
jij / jezou wonen
hij / zij / hetzou wonen
wij / wezouden wonen
julliezouden wonen
zij / zezouden wonen

Imperative

Commands

jijwoon

Questions about wonen

How do you conjugate wonen in the present tense?

ik woon, jij / je woont, hij / zij / het woont, wij / we wonen, jullie wonen, zij / ze wonen.

What is the past participle of wonen?

gewoond.

Does wonen take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gewoond.

What is the simple past of wonen?

ik woonde, wij woonden.

More Dutch verbs

All 212 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. wonen on Wiktionary · Recording of wonen: GerardM, CC BY 2.5, via Wikimedia Commons (MP3 version).

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.