eten

Dutch verb conjugation — to eat · /ˈeː.tə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gegeten
Level
A2

In short: ik eet, jij eet, hij eet, wij eten, jullie eten, zij eten — and in the past, ik heb gegeten.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikeet
jij / jeeet
hij / zij / heteet
wij / weeten
jullieeten
zij / zeeten

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gegeten
jij / jehebt gegeten
hij / zij / hetheeft gegeten
wij / wehebben gegeten
julliehebben gegeten
zij / zehebben gegeten

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikat
jij / jeat
hij / zij / hetat
wij / weaten
jullieaten
zij / zeaten

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gegeten
jij / jehad gegeten
hij / zij / hethad gegeten
wij / wehadden gegeten
julliehadden gegeten
zij / zehadden gegeten

Future

zullen + infinitive

ikzal eten
jij / jezult eten
hij / zij / hetzal eten
wij / wezullen eten
julliezullen eten
zij / zezullen eten

Conditional

zouden + infinitive

ikzou eten
jij / jezou eten
hij / zij / hetzou eten
wij / wezouden eten
julliezouden eten
zij / zezouden eten

Imperative

Commands

jijeet

Questions about eten

How do you conjugate eten in the present tense?

ik eet, jij / je eet, hij / zij / het eet, wij / we eten, jullie eten, zij / ze eten.

What is the past participle of eten?

gegeten.

Does eten take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gegeten.

How do you say "I eat" in Dutch?

Ik eet.

What is the simple past of eten?

ik at, wij aten.

More Dutch verbs

All 212 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. eten on Wiktionary · Recording of eten: GerardM, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons (MP3 version).

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.