botsen

Dutch verb conjugation — to collide · /ˈbɔtsə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gebotst
Level
A2

In short: ik bots, jij botst, hij botst, wij botsen, jullie botsen, zij botsen — and in the past, ik heb gebotst.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikbots
jij / jebotst
hij / zij / hetbotst
wij / webotsen
julliebotsen
zij / zebotsen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gebotst
jij / jehebt gebotst
hij / zij / hetheeft gebotst
wij / wehebben gebotst
julliehebben gebotst
zij / zehebben gebotst

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikbotste
jij / jebotste
hij / zij / hetbotste
wij / webotsten
julliebotsten
zij / zebotsten

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gebotst
jij / jehad gebotst
hij / zij / hethad gebotst
wij / wehadden gebotst
julliehadden gebotst
zij / zehadden gebotst

Future

zullen + infinitive

ikzal botsen
jij / jezult botsen
hij / zij / hetzal botsen
wij / wezullen botsen
julliezullen botsen
zij / zezullen botsen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou botsen
jij / jezou botsen
hij / zij / hetzou botsen
wij / wezouden botsen
julliezouden botsen
zij / zezouden botsen

Imperative

Commands

jijbots

Questions about botsen

How do you conjugate botsen in the present tense?

ik bots, jij / je botst, hij / zij / het botst, wij / we botsen, jullie botsen, zij / ze botsen.

What is the past participle of botsen?

gebotst.

Does botsen take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gebotst.

How do you say "I collide" in Dutch?

Ik bots.

What is the simple past of botsen?

ik botste, wij botsten.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. botsen on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.