mailen

Dutch verb conjugation — to email · /meːlə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gemaild
Level
A2

In short: ik mail, jij mailt, hij mailt, wij mailen, jullie mailen, zij mailen — and in the past, ik heb gemaild.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikmail
jij / jemailt
hij / zij / hetmailt
wij / wemailen
julliemailen
zij / zemailen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gemaild
jij / jehebt gemaild
hij / zij / hetheeft gemaild
wij / wehebben gemaild
julliehebben gemaild
zij / zehebben gemaild

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikmailde
jij / jemailde
hij / zij / hetmailde
wij / wemailden
julliemailden
zij / zemailden

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gemaild
jij / jehad gemaild
hij / zij / hethad gemaild
wij / wehadden gemaild
julliehadden gemaild
zij / zehadden gemaild

Future

zullen + infinitive

ikzal mailen
jij / jezult mailen
hij / zij / hetzal mailen
wij / wezullen mailen
julliezullen mailen
zij / zezullen mailen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou mailen
jij / jezou mailen
hij / zij / hetzou mailen
wij / wezouden mailen
julliezouden mailen
zij / zezouden mailen

Imperative

Commands

jijmail

Questions about mailen

How do you conjugate mailen in the present tense?

ik mail, jij / je mailt, hij / zij / het mailt, wij / we mailen, jullie mailen, zij / ze mailen.

What is the past participle of mailen?

gemaild.

Does mailen take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gemaild.

How do you say "I email" in Dutch?

Ik mail.

What is the simple past of mailen?

ik mailde, wij mailden.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. mailen on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.