haken

Dutch verb conjugation — to hook · /ˈɦaːkə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gehaakt
Level
A2

In short: ik haak, jij haakt, hij haakt, wij haken, jullie haken, zij haken — and in the past, ik heb gehaakt.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikhaak
jij / jehaakt
hij / zij / hethaakt
wij / wehaken
julliehaken
zij / zehaken

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gehaakt
jij / jehebt gehaakt
hij / zij / hetheeft gehaakt
wij / wehebben gehaakt
julliehebben gehaakt
zij / zehebben gehaakt

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikhaakte
jij / jehaakte
hij / zij / hethaakte
wij / wehaakten
julliehaakten
zij / zehaakten

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gehaakt
jij / jehad gehaakt
hij / zij / hethad gehaakt
wij / wehadden gehaakt
julliehadden gehaakt
zij / zehadden gehaakt

Future

zullen + infinitive

ikzal haken
jij / jezult haken
hij / zij / hetzal haken
wij / wezullen haken
julliezullen haken
zij / zezullen haken

Conditional

zouden + infinitive

ikzou haken
jij / jezou haken
hij / zij / hetzou haken
wij / wezouden haken
julliezouden haken
zij / zezouden haken

Imperative

Commands

jijhaak

Questions about haken

How do you conjugate haken in the present tense?

ik haak, jij / je haakt, hij / zij / het haakt, wij / we haken, jullie haken, zij / ze haken.

What is the past participle of haken?

gehaakt.

Does haken take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gehaakt.

How do you say "I hook" in Dutch?

Ik haak.

What is the simple past of haken?

ik haakte, wij haakten.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. haken on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.