rukken

Dutch verb conjugation — to jerk · /ˈrʏ.kə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gerukt
Level
A2

In short: ik ruk, jij rukt, hij rukt, wij rukken, jullie rukken, zij rukken — and in the past, ik heb gerukt.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikruk
jij / jerukt
hij / zij / hetrukt
wij / werukken
jullierukken
zij / zerukken

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gerukt
jij / jehebt gerukt
hij / zij / hetheeft gerukt
wij / wehebben gerukt
julliehebben gerukt
zij / zehebben gerukt

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikrukte
jij / jerukte
hij / zij / hetrukte
wij / werukten
jullierukten
zij / zerukten

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gerukt
jij / jehad gerukt
hij / zij / hethad gerukt
wij / wehadden gerukt
julliehadden gerukt
zij / zehadden gerukt

Future

zullen + infinitive

ikzal rukken
jij / jezult rukken
hij / zij / hetzal rukken
wij / wezullen rukken
julliezullen rukken
zij / zezullen rukken

Conditional

zouden + infinitive

ikzou rukken
jij / jezou rukken
hij / zij / hetzou rukken
wij / wezouden rukken
julliezouden rukken
zij / zezouden rukken

Imperative

Commands

jijruk

Questions about rukken

How do you conjugate rukken in the present tense?

ik ruk, jij / je rukt, hij / zij / het rukt, wij / we rukken, jullie rukken, zij / ze rukken.

What is the past participle of rukken?

gerukt.

Does rukken take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gerukt.

How do you say "I jerk" in Dutch?

Ik ruk.

What is the simple past of rukken?

ik rukte, wij rukten.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. rukken on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.