branden

Dutch verb conjugation — to burn · /ˈbrɑndə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gebrand
Level
A2

In short: ik brand, jij brandt, hij brandt, wij branden, jullie branden, zij branden — and in the past, ik heb gebrand.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikbrand
jij / jebrandt
hij / zij / hetbrandt
wij / webranden
julliebranden
zij / zebranden

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gebrand
jij / jehebt gebrand
hij / zij / hetheeft gebrand
wij / wehebben gebrand
julliehebben gebrand
zij / zehebben gebrand

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikbrandde
jij / jebrandde
hij / zij / hetbrandde
wij / webrandden
julliebrandden
zij / zebrandden

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gebrand
jij / jehad gebrand
hij / zij / hethad gebrand
wij / wehadden gebrand
julliehadden gebrand
zij / zehadden gebrand

Future

zullen + infinitive

ikzal branden
jij / jezult branden
hij / zij / hetzal branden
wij / wezullen branden
julliezullen branden
zij / zezullen branden

Conditional

zouden + infinitive

ikzou branden
jij / jezou branden
hij / zij / hetzou branden
wij / wezouden branden
julliezouden branden
zij / zezouden branden

Imperative

Commands

jijbrand

Questions about branden

How do you conjugate branden in the present tense?

ik brand, jij / je brandt, hij / zij / het brandt, wij / we branden, jullie branden, zij / ze branden.

What is the past participle of branden?

gebrand.

Does branden take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gebrand.

How do you say "I burn" in Dutch?

Ik brand.

What is the simple past of branden?

ik brandde, wij brandden.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. branden on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.