passen

Dutch verb conjugation — to fit (have the right size) · /ˈpɑsə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gepast
Level
A2

In short: ik pas, jij past, hij past, wij passen, jullie passen, zij passen — and in the past, ik heb gepast.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikpas
jij / jepast
hij / zij / hetpast
wij / wepassen
julliepassen
zij / zepassen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gepast
jij / jehebt gepast
hij / zij / hetheeft gepast
wij / wehebben gepast
julliehebben gepast
zij / zehebben gepast

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikpaste
jij / jepaste
hij / zij / hetpaste
wij / wepasten
julliepasten
zij / zepasten

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gepast
jij / jehad gepast
hij / zij / hethad gepast
wij / wehadden gepast
julliehadden gepast
zij / zehadden gepast

Future

zullen + infinitive

ikzal passen
jij / jezult passen
hij / zij / hetzal passen
wij / wezullen passen
julliezullen passen
zij / zezullen passen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou passen
jij / jezou passen
hij / zij / hetzou passen
wij / wezouden passen
julliezouden passen
zij / zezouden passen

Imperative

Commands

jijpas

Questions about passen

How do you conjugate passen in the present tense?

ik pas, jij / je past, hij / zij / het past, wij / we passen, jullie passen, zij / ze passen.

What is the past participle of passen?

gepast.

Does passen take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gepast.

What is the simple past of passen?

ik paste, wij pasten.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. passen on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.