leven

Dutch verb conjugation — to live · /ˈleːvə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
geleefd
Level
A1

In short: ik leef, jij leeft, hij leeft, wij leven, jullie leven, zij leven — and in the past, ik heb geleefd.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikleef
jij / jeleeft
hij / zij / hetleeft
wij / weleven
jullieleven
zij / zeleven

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb geleefd
jij / jehebt geleefd
hij / zij / hetheeft geleefd
wij / wehebben geleefd
julliehebben geleefd
zij / zehebben geleefd

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikleefde
jij / jeleefde
hij / zij / hetleefde
wij / weleefden
jullieleefden
zij / zeleefden

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad geleefd
jij / jehad geleefd
hij / zij / hethad geleefd
wij / wehadden geleefd
julliehadden geleefd
zij / zehadden geleefd

Future

zullen + infinitive

ikzal leven
jij / jezult leven
hij / zij / hetzal leven
wij / wezullen leven
julliezullen leven
zij / zezullen leven

Conditional

zouden + infinitive

ikzou leven
jij / jezou leven
hij / zij / hetzou leven
wij / wezouden leven
julliezouden leven
zij / zezouden leven

Imperative

Commands

jijleef

leven in sentences

  • Ik wil leven in een stad dicht bij de natuur.I want to live in a city close to nature.
  • Ze leeft voor haar kunst.She lives for her art.
  • Hij heeft lang geleefd en veel meegemaakt.He has lived a long life and experienced much.

Examples from Wiktionary.

Questions about leven

How do you conjugate leven in the present tense?

ik leef, jij / je leeft, hij / zij / het leeft, wij / we leven, jullie leven, zij / ze leven.

What is the past participle of leven?

geleefd.

Does leven take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb geleefd.

How do you say "I live" in Dutch?

Ik leef.

What is the simple past of leven?

ik leefde, wij leefden.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. leven on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.