openen

Dutch verb conjugation — to open · /ˈoːpənə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
geopend
Level
A1

In short: ik open, jij opent, hij opent, wij openen, jullie openen, zij openen — and in the past, ik heb geopend.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikopen
jij / jeopent
hij / zij / hetopent
wij / weopenen
jullieopenen
zij / zeopenen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb geopend
jij / jehebt geopend
hij / zij / hetheeft geopend
wij / wehebben geopend
julliehebben geopend
zij / zehebben geopend

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikopende
jij / jeopende
hij / zij / hetopende
wij / weopenden
jullieopenden
zij / zeopenden

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad geopend
jij / jehad geopend
hij / zij / hethad geopend
wij / wehadden geopend
julliehadden geopend
zij / zehadden geopend

Future

zullen + infinitive

ikzal openen
jij / jezult openen
hij / zij / hetzal openen
wij / wezullen openen
julliezullen openen
zij / zezullen openen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou openen
jij / jezou openen
hij / zij / hetzou openen
wij / wezouden openen
julliezouden openen
zij / zezouden openen

Imperative

Commands

jijopen

Questions about openen

How do you conjugate openen in the present tense?

ik open, jij / je opent, hij / zij / het opent, wij / we openen, jullie openen, zij / ze openen.

What is the past participle of openen?

geopend.

Does openen take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb geopend.

How do you say "I open" in Dutch?

Ik open.

What is the simple past of openen?

ik opende, wij openden.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. openen on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.