rennen

Dutch verb conjugation — to run · /rɛ.nə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gerend
Level
A1

In short: ik ren, jij rent, hij rent, wij rennen, jullie rennen, zij rennen — and in the past, ik heb gerend.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikren
jij / jerent
hij / zij / hetrent
wij / werennen
jullierennen
zij / zerennen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gerend
jij / jehebt gerend
hij / zij / hetheeft gerend
wij / wehebben gerend
julliehebben gerend
zij / zehebben gerend

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikrende
jij / jerende
hij / zij / hetrende
wij / werenden
jullierenden
zij / zerenden

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gerend
jij / jehad gerend
hij / zij / hethad gerend
wij / wehadden gerend
julliehadden gerend
zij / zehadden gerend

Future

zullen + infinitive

ikzal rennen
jij / jezult rennen
hij / zij / hetzal rennen
wij / wezullen rennen
julliezullen rennen
zij / zezullen rennen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou rennen
jij / jezou rennen
hij / zij / hetzou rennen
wij / wezouden rennen
julliezouden rennen
zij / zezouden rennen

Imperative

Commands

jijren

Questions about rennen

How do you conjugate rennen in the present tense?

ik ren, jij / je rent, hij / zij / het rent, wij / we rennen, jullie rennen, zij / ze rennen.

What is the past participle of rennen?

gerend.

Does rennen take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gerend.

How do you say "I run" in Dutch?

Ik ren.

What is the simple past of rennen?

ik rende, wij renden.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. rennen on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.