vangen

Dutch verb conjugation — to catch · /ˈvɑŋə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gevangen
Level
A1

In short: ik vang, jij vangt, hij vangt, wij vangen, jullie vangen, zij vangen — and in the past, ik heb gevangen.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikvang
jij / jevangt
hij / zij / hetvangt
wij / wevangen
jullievangen
zij / zevangen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gevangen
jij / jehebt gevangen
hij / zij / hetheeft gevangen
wij / wehebben gevangen
julliehebben gevangen
zij / zehebben gevangen

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikving
jij / jeving
hij / zij / hetving
wij / wevingen
jullievingen
zij / zevingen

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gevangen
jij / jehad gevangen
hij / zij / hethad gevangen
wij / wehadden gevangen
julliehadden gevangen
zij / zehadden gevangen

Future

zullen + infinitive

ikzal vangen
jij / jezult vangen
hij / zij / hetzal vangen
wij / wezullen vangen
julliezullen vangen
zij / zezullen vangen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou vangen
jij / jezou vangen
hij / zij / hetzou vangen
wij / wezouden vangen
julliezouden vangen
zij / zezouden vangen

Imperative

Commands

jijvang

Questions about vangen

How do you conjugate vangen in the present tense?

ik vang, jij / je vangt, hij / zij / het vangt, wij / we vangen, jullie vangen, zij / ze vangen.

What is the past participle of vangen?

gevangen.

Does vangen take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gevangen.

How do you say "I catch" in Dutch?

Ik vang.

What is the simple past of vangen?

ik ving, wij vingen.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. vangen on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.