winnen

Dutch verb conjugation — to win · /ˈʋɪ.nə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gewonnen
Level
A1

In short: ik win, jij wint, hij wint, wij winnen, jullie winnen, zij winnen — and in the past, ik heb gewonnen.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikwin
jij / jewint
hij / zij / hetwint
wij / wewinnen
julliewinnen
zij / zewinnen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gewonnen
jij / jehebt gewonnen
hij / zij / hetheeft gewonnen
wij / wehebben gewonnen
julliehebben gewonnen
zij / zehebben gewonnen

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikwon
jij / jewon
hij / zij / hetwon
wij / wewonnen
julliewonnen
zij / zewonnen

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gewonnen
jij / jehad gewonnen
hij / zij / hethad gewonnen
wij / wehadden gewonnen
julliehadden gewonnen
zij / zehadden gewonnen

Future

zullen + infinitive

ikzal winnen
jij / jezult winnen
hij / zij / hetzal winnen
wij / wezullen winnen
julliezullen winnen
zij / zezullen winnen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou winnen
jij / jezou winnen
hij / zij / hetzou winnen
wij / wezouden winnen
julliezouden winnen
zij / zezouden winnen

Imperative

Commands

jijwin

Questions about winnen

How do you conjugate winnen in the present tense?

ik win, jij / je wint, hij / zij / het wint, wij / we winnen, jullie winnen, zij / ze winnen.

What is the past participle of winnen?

gewonnen.

Does winnen take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gewonnen.

How do you say "I win" in Dutch?

Ik win.

What is the simple past of winnen?

ik won, wij wonnen.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. winnen on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.