lopen

Dutch verb conjugation — to run · /ˈloːpə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gelopen
Level
A1

In short: ik loop, jij loopt, hij loopt, wij lopen, jullie lopen, zij lopen — and in the past, ik heb gelopen.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikloop
jij / jeloopt
hij / zij / hetloopt
wij / welopen
jullielopen
zij / zelopen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gelopen
jij / jehebt gelopen
hij / zij / hetheeft gelopen
wij / wehebben gelopen
julliehebben gelopen
zij / zehebben gelopen

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikliep
jij / jeliep
hij / zij / hetliep
wij / weliepen
jullieliepen
zij / zeliepen

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gelopen
jij / jehad gelopen
hij / zij / hethad gelopen
wij / wehadden gelopen
julliehadden gelopen
zij / zehadden gelopen

Future

zullen + infinitive

ikzal lopen
jij / jezult lopen
hij / zij / hetzal lopen
wij / wezullen lopen
julliezullen lopen
zij / zezullen lopen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou lopen
jij / jezou lopen
hij / zij / hetzou lopen
wij / wezouden lopen
julliezouden lopen
zij / zezouden lopen

Imperative

Commands

jijloop

lopen in sentences

  • Ik ben naar de stad gelopen.I ran to the city.
  • Hij heeft daar veel gelopen.He did a lot of running there.
  • We kunnen naar de supermarkt lopen om boodschappen te doen.We can walk to the supermarket to do some shopping.

Examples from Wiktionary.

Questions about lopen

How do you conjugate lopen in the present tense?

ik loop, jij / je loopt, hij / zij / het loopt, wij / we lopen, jullie lopen, zij / ze lopen.

What is the past participle of lopen?

gelopen.

Does lopen take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gelopen.

How do you say "I run" in Dutch?

Ik loop.

What is the simple past of lopen?

ik liep, wij liepen.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. lopen on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.