lenen

Dutch verb conjugation — to borrow · /ˈleːnə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
geleend
Level
A2

In short: ik leen, jij leent, hij leent, wij lenen, jullie lenen, zij lenen — and in the past, ik heb geleend.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikleen
jij / jeleent
hij / zij / hetleent
wij / welenen
jullielenen
zij / zelenen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb geleend
jij / jehebt geleend
hij / zij / hetheeft geleend
wij / wehebben geleend
julliehebben geleend
zij / zehebben geleend

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikleende
jij / jeleende
hij / zij / hetleende
wij / weleenden
jullieleenden
zij / zeleenden

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad geleend
jij / jehad geleend
hij / zij / hethad geleend
wij / wehadden geleend
julliehadden geleend
zij / zehadden geleend

Future

zullen + infinitive

ikzal lenen
jij / jezult lenen
hij / zij / hetzal lenen
wij / wezullen lenen
julliezullen lenen
zij / zezullen lenen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou lenen
jij / jezou lenen
hij / zij / hetzou lenen
wij / wezouden lenen
julliezouden lenen
zij / zezouden lenen

Imperative

Commands

jijleen

Questions about lenen

How do you conjugate lenen in the present tense?

ik leen, jij / je leent, hij / zij / het leent, wij / we lenen, jullie lenen, zij / ze lenen.

What is the past participle of lenen?

geleend.

Does lenen take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb geleend.

How do you say "I borrow" in Dutch?

Ik leen.

What is the simple past of lenen?

ik leende, wij leenden.

More Dutch verbs

All 212 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. lenen on Wiktionary · Recording of lenen: GerardM, CC BY 2.5, via Wikimedia Commons (MP3 version).

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.