vallen

Dutch verb conjugation — to fall · /ˈvɑlə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gevallen
Level
C1

In short: ik val, jij valt, hij valt, wij vallen, jullie vallen, zij vallen — and in the past, ik heb gevallen.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikval
jij / jevalt
hij / zij / hetvalt
wij / wevallen
jullievallen
zij / zevallen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gevallen
jij / jehebt gevallen
hij / zij / hetheeft gevallen
wij / wehebben gevallen
julliehebben gevallen
zij / zehebben gevallen

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikviel
jij / jeviel
hij / zij / hetviel
wij / wevielen
jullievielen
zij / zevielen

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gevallen
jij / jehad gevallen
hij / zij / hethad gevallen
wij / wehadden gevallen
julliehadden gevallen
zij / zehadden gevallen

Future

zullen + infinitive

ikzal vallen
jij / jezult vallen
hij / zij / hetzal vallen
wij / wezullen vallen
julliezullen vallen
zij / zezullen vallen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou vallen
jij / jezou vallen
hij / zij / hetzou vallen
wij / wezouden vallen
julliezouden vallen
zij / zezouden vallen

Imperative

Commands

jijval

vallen in sentences

  • De appel viel van de boom.The apple fell from the tree.
  • Ze viel toen ze aan het rennen was.She tumbled while she was running.
  • De avond valt.Evening begins.

Examples from Wiktionary.

Questions about vallen

How do you conjugate vallen in the present tense?

ik val, jij / je valt, hij / zij / het valt, wij / we vallen, jullie vallen, zij / ze vallen.

What is the past participle of vallen?

gevallen.

Does vallen take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gevallen.

How do you say "I fall" in Dutch?

Ik val.

What is the simple past of vallen?

ik viel, wij vielen.

More Dutch verbs

All 212 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. vallen on Wiktionary · Recording of vallen: GerardM, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons (MP3 version).

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.