slepen

Dutch verb conjugation — to drag · /ˈsleː.pə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gesleept
Level
A2

In short: ik sleep, jij sleept, hij sleept, wij slepen, jullie slepen, zij slepen — and in the past, ik heb gesleept.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

iksleep
jij / jesleept
hij / zij / hetsleept
wij / weslepen
jullieslepen
zij / zeslepen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gesleept
jij / jehebt gesleept
hij / zij / hetheeft gesleept
wij / wehebben gesleept
julliehebben gesleept
zij / zehebben gesleept

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

iksleepte
jij / jesleepte
hij / zij / hetsleepte
wij / wesleepten
julliesleepten
zij / zesleepten

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gesleept
jij / jehad gesleept
hij / zij / hethad gesleept
wij / wehadden gesleept
julliehadden gesleept
zij / zehadden gesleept

Future

zullen + infinitive

ikzal slepen
jij / jezult slepen
hij / zij / hetzal slepen
wij / wezullen slepen
julliezullen slepen
zij / zezullen slepen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou slepen
jij / jezou slepen
hij / zij / hetzou slepen
wij / wezouden slepen
julliezouden slepen
zij / zezouden slepen

Imperative

Commands

jijsleep

Questions about slepen

How do you conjugate slepen in the present tense?

ik sleep, jij / je sleept, hij / zij / het sleept, wij / we slepen, jullie slepen, zij / ze slepen.

What is the past participle of slepen?

gesleept.

Does slepen take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gesleept.

How do you say "I drag" in Dutch?

Ik sleep.

What is the simple past of slepen?

ik sleepte, wij sleepten.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. slepen on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.