vechten

Dutch verb conjugation — to fight · /ˈvɛxtə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gevochten
Level
A1

In short: ik vecht, jij vecht, hij vecht, wij vechten, jullie vechten, zij vechten — and in the past, ik heb gevochten.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikvecht
jij / jevecht
hij / zij / hetvecht
wij / wevechten
jullievechten
zij / zevechten

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gevochten
jij / jehebt gevochten
hij / zij / hetheeft gevochten
wij / wehebben gevochten
julliehebben gevochten
zij / zehebben gevochten

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikvocht
jij / jevocht
hij / zij / hetvocht
wij / wevochten
jullievochten
zij / zevochten

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gevochten
jij / jehad gevochten
hij / zij / hethad gevochten
wij / wehadden gevochten
julliehadden gevochten
zij / zehadden gevochten

Future

zullen + infinitive

ikzal vechten
jij / jezult vechten
hij / zij / hetzal vechten
wij / wezullen vechten
julliezullen vechten
zij / zezullen vechten

Conditional

zouden + infinitive

ikzou vechten
jij / jezou vechten
hij / zij / hetzou vechten
wij / wezouden vechten
julliezouden vechten
zij / zezouden vechten

Imperative

Commands

jijvecht

Questions about vechten

How do you conjugate vechten in the present tense?

ik vecht, jij / je vecht, hij / zij / het vecht, wij / we vechten, jullie vechten, zij / ze vechten.

What is the past participle of vechten?

gevochten.

Does vechten take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gevochten.

How do you say "I fight" in Dutch?

Ik vecht.

What is the simple past of vechten?

ik vocht, wij vochten.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. vechten on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.