reizen

Dutch verb conjugation — to travel · /ˈrɛi̯.zə(n)/

Auxiliary
hebben
Past participle
gereisd
Level
A2

In short: ik reis, jij reist, hij reist, wij reizen, jullie reizen, zij reizen — and in the past, ik heb gereisd.

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd

ikreis
jij / jereist
hij / zij / hetreist
wij / wereizen
julliereizen
zij / zereizen

Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd — the everyday past

ikheb gereisd
jij / jehebt gereisd
hij / zij / hetheeft gereisd
wij / wehebben gereisd
julliehebben gereisd
zij / zehebben gereisd

Simple past

Onvoltooid verleden tijd

ikreisde
jij / jereisde
hij / zij / hetreisde
wij / wereisden
julliereisden
zij / zereisden

Past perfect

Voltooid verleden tijd

ikhad gereisd
jij / jehad gereisd
hij / zij / hethad gereisd
wij / wehadden gereisd
julliehadden gereisd
zij / zehadden gereisd

Future

zullen + infinitive

ikzal reizen
jij / jezult reizen
hij / zij / hetzal reizen
wij / wezullen reizen
julliezullen reizen
zij / zezullen reizen

Conditional

zouden + infinitive

ikzou reizen
jij / jezou reizen
hij / zij / hetzou reizen
wij / wezouden reizen
julliezouden reizen
zij / zezouden reizen

Imperative

Commands

jijreis

reizen in sentences

  • We reizen graag naar verre landen om nieuwe culturen te ontdekken.We love to travel to distant countries to discover new cultures.
  • Tijdens de vakantie reizen we meestal naar warme bestemmingen.During the holidays, we usually travel to warm destinations.
  • Zij reizen vaak voor hun werk en hebben daardoor veel van de wereld gezien.They travel often for their job and have seen much of the world as a result.

Examples from Wiktionary.

Questions about reizen

How do you conjugate reizen in the present tense?

ik reis, jij / je reist, hij / zij / het reist, wij / we reizen, jullie reizen, zij / ze reizen.

What is the past participle of reizen?

gereisd.

Does reizen take hebben or zijn in the perfect?

hebben: ik heb gereisd.

How do you say "I travel" in Dutch?

Ik reis.

What is the simple past of reizen?

ik reisde, wij reisden.

More Dutch verbs

All 150 Dutch verbs → · The Dutch inburgering exam explained

Conjugation, meanings and examples: Wiktionary (CC BY-SA 4.0), via kaikki.org. reizen on Wiktionary · Audio: 16Word.

Make the verbs stick

16Word drills Dutch verbs, words and sentences 16 at a time, with audio and a game break between answers — from any of 36 languages. Free to start.