The Dutch perfect tense: hebben or zijn, ge-…-t or ge-…-d
The everyday Dutch past: hebben or zijn + a past participle. How to make ge-…-t and ge-…-d (’t kofschip), the verbs that take zijn, the participles without ge-, and the strong verbs to learn.
Updated · 3 min read

Dutch talks about the past mostly with the perfect (voltooid tegenwoordige tijd): Ik heb gewerkt. Ik ben naar huis gegaan. It is used for finished events — where English says I worked — as well as for I have worked. The simple past is more for stories and writing.
In short: hebben or zijn (conjugated, second) + a past participle (at the end). Weak verbs: ge + stem + t or d — t if the stem ends in one of the consonants of ’t kofschip (t, k, f, s, ch, p), otherwise d: gewerkt, gewoond.
Making the participle
| Infinitive | Stem | Last letter in ’t kofschip? | Participle |
|---|---|---|---|
| werken | werk | k → yes | gewerkt |
| wonen | woon | n → no | gewoond |
| fietsen | fiets | s → yes | gefietst |
| betalen | betaal | l → no | betaald (no ge-) |
| leven | leef | the infinitive has v → no | geleefd |
| reizen | reis | the infinitive has z → no | gereisd |
Look at the stem — but for verbs with v or z in the infinitive, the participle takes -d (geleefd, gereisd). Tables: werken, wonen, fietsen, betalen, leven, reizen.
No ge- after be-, ge-, her-, ont-, ver-, er-
betalen → betaald, vertellen → verteld (vertellen), verhuizen → verhuisd (verhuizen), herhalen → herhaald (herhalen), ontvangen → ontvangen (ontvangen). Separable verbs put ge in the middle: opstaan → opgestaan, invullen → ingevuld — see separable verbs.
Hebben or zijn?
Most verbs take hebben. Zijn is for verbs of movement to a place or a change of state, and for zijn, worden, blijven:
| zijn | hebben |
|---|---|
| Ik ben naar huis gegaan. (gaan) | Ik heb gewerkt. (werken) |
| Ze is in 2024 gekomen. (komen) | We hebben veel geleerd. (leren) |
| Hij is ziek geworden. (worden) | Ze heeft de brief geschreven. (schrijven) |
| We zijn thuis gebleven. (blijven) | Ik heb gegeten. (eten) |
| Het is gebeurd. (gebeuren) | Ik heb geslapen. (slapen) |
Movement verbs like fietsen and lopen take zijn with a destination (Ik ben naar school gefietst) and hebben without one (Ik heb een uur gefietst). Every verb table on 16Word shows its auxiliary.
Strong verbs: learn the participle
| Infinitive | Participle | Auxiliary |
|---|---|---|
| zijn | geweest | zijn |
| hebben | gehad | hebben |
| gaan | gegaan | zijn |
| komen | gekomen | zijn |
| doen | gedaan | hebben |
| zien | gezien | hebben |
| eten | gegeten | hebben |
| drinken | gedronken | hebben |
| schrijven | geschreven | hebben |
| lezen | gelezen | hebben |
| spreken | gesproken | hebben |
| vinden | gevonden | hebben |
Tables for each: zijn, hebben, doen, zien, drinken, lezen, spreken, vinden.
Ik ben in 2023 naar Nederland gekomen en ik heb eerst in Rotterdam gewoond.
Literally: I came to the Netherlands in 2023 and first lived in Rotterdam.
Meaning: zijn + gekomen (movement), hebben + gewoond.
Gisteren heb ik de hele dag gewerkt.
Literally: Yesterday I worked all day.
Meaning: gisteren first → heb ik; the participle at the end.
Practise
- Tell what you did yesterday in five sentences — the classic speaking exam question.
- Check each auxiliary and participle on its verb table.
- Learn the strong participles above by heart.
- Then read the simple past for stories.
The past, sentence by sentence
16Word’s Sentences track spends four pages on the past — what you did, past questions, mishaps, two-part stories. Page 1 is free.
Keep learning
All our Dutch grammar guides
- Pronunciation, with recordings · Spelling: long and short vowels, f/v, s/z · De or het?
- Plurals and diminutives · Adjective endings: groot or grote? · Personal pronouns: je, jij or u?
- Word order: verb second, verb last · Asking questions · Negation: niet or geen?
- The present tense (and d or t) · The simple past and ’t kofschip · Modal verbs: kunnen, moeten, willen, mogen, zullen
- Separable verbs
Frequently asked questions
How do you form the perfect in Dutch?
Hebben or zijn + the past participle at the end: Ik heb gewerkt. Ik ben gegaan.
When do you use zijn in the Dutch perfect?
With verbs of movement to a place or change of state (gaan, komen, vallen, worden, verhuizen) and with zijn and blijven. Most other verbs take hebben.
What is 't kofschip?
A memory word: if the stem of a weak verb ends in t, k, f, s, ch or p, the participle ends in -t (gewerkt); otherwise in -d (gewoond).
Why is it betaald and not gebetaald?
Verbs with the unstressed prefixes be-, ge-, her-, ont-, ver- and er- take no ge-: betaald, verteld, verhuisd.
Was this guide useful?
Official sources
Keep going
- /grammar/dutch
- Learn Dutch 16 words a day
- The Dutch simple past: -te or -de, and the strong verbs
- Dutch modal verbs: kunnen, moeten, willen, mogen, zullen
- Dutch separable verbs: opstaan, aanmelden, invullen
- Dutch pronunciation: g, ui, ij and the long and short vowels (with audio)
- Dutch spelling rules: maken but maak, katten, brieven — and d or t
- De or het? How to know the Dutch article
- Dutch plurals and diminutives: -en, -s, kinderen — and -je, -tje, -pje
- Dutch adjective endings: groot or grote?
- All guides